Kennisbank

Kennisbank

Op deze pagina vindt u meer informatie over de historische en juridische status van nog bestaande heerlijke rechten in Nederland. Een groot deel van de gebruikte teksten zijn uit het boek "Oude zakelijke rechten: vroeger, nu en in de toekomst", van Prof. dr. Ketelaar (Universitaire Pers, Leiden, 1978). Geheel onderaan treft u een literatuurlijst, met daarin opgenomen de belangrijkste publicaties over heerlijkheden en heerlijke rechten.

Indien u over een bepaald onderwerp graag meer informatie wenst, kunt u middels het contactformulier op deze pagina een verzoek daartoe ons sturen. Wij streven er naar uw bericht binnen een week te beantwoorden.




Wat is een (ambachts)heerlijkheid?

Periode voor 1795

Oorspronkelijk bestond een heerlijkheid in twee betekenissen. De eerste betekenis betreft heerlijkheid het recht dat een particulier had op het uitoefenen van overheidsgezag over een bepaald gebied. Aan dit overheidsgezag waren veelal nog andere heerlijke rechten verbonden. De tweede, territoriale betekenis van 'heerlijkheid' is het gebied waar die rechten betrekking op hebben. Traditioneel voert de eigenaar van de heerlijke rechten de titel 'Heer' of 'Vrouwe'.

Prof. De Blécourt preciseert de eerste betekenis als “een stuk overheidsgezag, dat men niet als ambtenaar en niet dus als ondergeschikte uitoefent, maar dat men als eigen erfelijk recht, zij het ook gemeenlijk in leen heeft“. Het best kan heerlijkheid in deze betekenis worden vergeleken met het huidige bestuursorgaan 'gemeente', maar dan als eigendom van een particulier.

De aan de heerlijkheid verbonden rechten worden ambachtsgevolgen of accrochementen genoemd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan heerlijk jachtrecht, heerlijk visrecht, windrecht, maalrecht, plant- en weiderechten. Ook waren er economische rechten aan verbonden, zoals belastingrecht, banrecht, marktrecht etc. Typerend voor heerlijke rechten was en is, dat deze rechten betrekking hebben op grond die aan een ander toebehoort dan de eigenaar van de heerlijke rechten. Tot op heden bestaan er nog heerlijke rechten in Sinoutskerke en Baarsdorp, die betrekking hebben op percelen gelegen in het heerlijkheidsgebied.

Zoals geschreven was een kenmerkend element van heerlijkheid het recht op overheidsgezag. Dit betekende dat de 'Heer' voor zijn heerlijkheidsgebied ambtenaren kon benoemen, zoals een meier, baljuw of schout. Tegenwoordig kan men dat vergelijken met een burgermeester, politiecommissaris en (kantor)rechter.

Doorgaans beschikte de Heer niet over het recht om zware boetes of lijfstraffen op te (laten) leggen. In dat geval was er sprake van een zogenaamde ambachtsheerlijkheid en was de bijhorende titel Ambachtsheer. In het geval de Heer wel dergelijke straffen kon opleggen, was er sprake van een hoge of vrije heerlijkheid. De bijhorende titel was in dat geval Vrijheer, niet te verwarren met de Duitse adellijke titel Freiherr. Tegenwoordig wordt het onderscheid tussen vrije en ambachts-heerlijkheden of ambachtsheer en vrijheer niet meer gemaakt. Men spreekt van 'heerlijkheid' en 'Heer'.

Periode na 1795

Kort na de Franse inval van 1795 werd heerlijkheid afgeschaft, althans voor zover deze betrekking had op overheidsgezag. Heerlijkheden in hun territoriale betekenis zijn nooit opgeheven. Nadat in 1814 Koning Willem I aan de macht kwam werden enkele aan heerlijkheid verbonden rechten hersteld. Het recht op overheidsgezag, zoals dit voorheen gold, werd echter niet meer hersteld. Wel werd aan de eigenaren van heerlijkheden het recht gegeven om lagere gemeente-ambtenaren en predikanten voor te dragen. Deze rechten werden in 1848 echter definitief afgeschaft. Dit betekent dat heerlijkheid in de zin van 'overheidsgezag' niet meer bestaat, hiervoor is de gemeente in de plaats gekomen. Wel resteren er nog een aantal heerlijke rechten, zoals het heerlijk visrecht, heerlijke plant- en weiderechten, windrecht etc.

Heerlijkheden in de moderne zin des woords zijn goederencomplexen bestaande uit de resterende heerlijke (gedecrocheerde) rechten die betrekking hebben op een bepaald gebied (de heerlijkheid), eventueel in combinatie met niet-heerlijke vermogensrechten, zoals de eigendom van grond. Dit geldt ook voor de heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp, die bestaan uit heerlijke rechten en grond.

Heerlijke rechten, oude zakelijke rechten

In vroeger tijden, dat wil zeggen voor 1795, was de ambachtsheer een particulier die het recht op overheidsgezag bezat. Dit recht op overheidsgezag noemde men 'heerlijkheid', een woord dat ook gebruikt werd om het territoir waarover de heerlijkheid werd uitgeoefend aan te duiden.

Naast heerlijkheid bezat de ambachtsheer veelal nog andere heerlijke rechten, die voortvloeiden of samenhingen met de heerlijkheid. In Holland en Zeeland noemde men deze rechten de ambachtsgevolgen: de rechten die het ambacht (de heerlijkheid) volgen. Later noemde men de ambachtsgevolgen ook wel accrochementen van de heerlijkheid. Regel was dat bij de uitgifte of overdracht van de heerlijkheid niet alle daaraan verbonden gevolgen werden opgesomd. Volstaat werd vaak met de aanduiding: de heerlijkheid 'mitten gevolge'. Ook wel eindigde de formulie, na het noemen van enkele rechten, met 'en verdere gevolgen'.

Op dit punt bestond een opvallend verschil tussen de Zeeuwse heerlijkheden en de andere. Tot ambachtsgevolg van de naar Zeeuws recht uitgegeven heerlijkheden werden gerekend alle rechten die niet uidrukkelijk door de landsheer waren voorbehouden of die voor de uitgifte niet aan een ander toebehoorden.

In 1795 werd heerlijkheid, in de zin van overheidsgezag, afgeschaft. De aan heerlijkheid verbonden rechten zijn echter grotendeels blijven bestaan, net als heerlijkheid in haar territoriale betekenis. Men kan in dat verband denken aan visrechten, plantrechten, pootrechten, weiderechten, stuwrechten, veerrechten, recht van eendenkooi, recht van windvang, recht van aanwas en recht op kerkgestoelte. Een aantal van deze rechten bestaan nog in Sinoutskerke en Baarsdorp.

Charters en verlijbrieven

Een verlijbrief, ook wel charter genoemd, is een akte waarmee formeel de eigendom van heerlijkheden en daarbij behorend onroerend goed werd overgedragen. In Zeeland werden verlijbrieven uitgegeven door de Graaffelijkheid, later de Gecommitteerde Raden van de Staten 's Lands en de Graaffelijkheid van Zeeland geheten.

In verlijbrieven werden de heerlijke rechten doorgaans niet specifiek genoemd. Er werd volstaan met aan te geven dat iemand gerechtigd was tot een bepaald gebied met ambachtsrecht en ambachtsgevolgen (heerlijke rechten). In het charter van 19 september 1409, waarmee Colijn van Baersdorp met de heerlijkheden wordt beleend staat dit als volgt omschreven:

"Willem, enz. doen cond allen luden, dat wy geconfirmeert, ende verleent hebben, confirmeren, ende verlenen mit desen brieve onsen geminden Heren Boudyn van Baersdorp, Ridder, alsulke coip, als hu tgeghens Colyn van Baersdorp, sinen Oem, gecost heeft, dats te wete dordalfhondert gemete ambochts, ambochtsgevolch, luttel min, ofte meer, mid molen, mid hofsteden, gelegen in den prochien van Baersdorp, ende Symontskerck". De volledige tekst kunt u lezen door hier te klikken.

Voor de beantwoording van de vraag welke rechten deze ambachtsgevolgen zijn, geldt dat dit naar Zeeuws recht alle rechten zijn die niet uitdrukkelijk door de landsheer zijn voorbehouden of die vóór de uitgifte niet aan een ander toebehoorden.

In het geval van de heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp zijn vele van dit soort documenten uitgegeven, omdat er in het verleden meerdere en wisselende eigenaren waren. Tegenwoordig is er nog maar een eigenaresse, die haar rechten terug voert op verlijbrieven, die in het heerlijkheidsarchief zijn opgenomen. Een van deze verlijbrieven kunt u bekijken door hier te klikken. Het betreft een akte van 18 juli 1787, waarin Jan Hendrik Eversdijk verlijd wordt met een deel van de heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp. Een deel van de charters en aktes uit ons archief zijn gedigitaliseerd en hier in te zien.

De titel (ambachts)heer/vrouwe

De titel ambachts)heer/vrouwe kan het best worden beschouwd als een "functietitel", of als aanduiding van de eigenaar van de (resterende) rechten. Ter vergelijking is een verhuurder iemand die iets verhuurt, een ambachtsheer is iemand die ambachtsheerlijke rechten heeft. Daarmee onderscheidt de titel zich van titels die wegens een bepaalde verdienste of als gunst zijn verleend, zoals jonkheer, baron, of ridder (in de orde van Oranje-Nassau).

Hierdoor is het juridisch ook lastig te beargumenteren dat er, ook nu nog - zij het zelden - mensen zijn die de titel 'ambachtsheer', of 'heer/vrouwe van x' kopen en verkopen, zonder dat hier enig recht aan is verbonden.

Toch gebeurde het in 1925 dat de toenmalige eigenaren van de heerlijkheid Sinoutskerke aan de Amsterdamse titelhandelaarster Frederika Knufman (1877-1951) titel van Sinoutskerke verkochten voor 1000 gulden. Omgerekend naar hedendaags geld is dit circa 8000 euro. Wat zij kocht is "het recht tot het voeren van den titel van ambachtsheer van Sinoutskerke, waaraan verder geenerlij rechten tot die ambachtsheerlijkheid behoorende zijn verbonden". Mevrouw Knufman verkocht dit recht vervolgens aan de heer A.A. van Rossem (1888-1956) voor het bedrag van 4000 gulden, wat tegenwoordig gelijk staat aan 30.000 euro. Al met al een zeer lucratieve koop en verkoop, die mevrouw Knufman bepaald geen windeieren heeft gelegd.

De vraag is echter wat het verkochte 'recht tot het voeren van de titel' precies in houdt. Zoals reeds geschreven komt de titel toe aan de eigenaar van de heerlijke rechten en is feitelijk een eigenaars- of functieaanduiding. Daarmee is de "Vrouwe van Baarsdorp" ook gerechtigd tot het voeren van de titel van Sinoutskerke. Om terug te komen op de vergelijking met de aanduiding 'verhuurder': Het verkopen van het recht de aanduiding van verhuurder te voeren, zonder overdracht van het recht voornoemde ruimte te verhuren is een onmogelijkheid, en dat geldt ook voor een heerlijkheidstitel.

Wat mevrouw Knufman ook verkocht heeft, zij heeft hier in ieder geval veel geld mee verdiend. Reeds eerder had zij deze truc uitgehaald: in 1916 verkocht zij het recht tot het voeren van de titel van de heerlijkheid Lichtenberg, in 1920 verkocht zij het recht tot het voeren van de titel van de heerlijkheid Schagen en in 1924 de ambachtsheerlijkheid van Oudenhoorn. Dhr. B. Dorrestijn, voorzitter van de Heemkundige Vereniging Old Sillevold, schreef in het Verenigingsbulletin van najaar 2014 een zeer interessant artikel over de heerlijkheid Lichtenberg. Daarin beschrijft hij ook de werkwijze van mevrouw Knufman bij de verkoop van voornoemde heerlijkheid. Tegen de tijd dat de vraag naar heerlijkheidstitels door de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende maatschappelijke veranderingen drastisch afnam, zal mevrouw Knufman zonder twijfel een fortuin hebben verdiend.

In hetzelfde jaar dat de heer van Rossem zaken deed met mevrouw Knufman kocht hij het Slot Lebensberg (ook: Monteleone), gelegen in Zuid-Tirol, Italie. Hij liet het drastisch renoveren en bleef in Italie wonen tot hij in 1956 in Rome onverwachts kwam te overlijden. Zijn nazaten wonen nog altijd op het Slot, en noemen zich 'van Rossem van Sinoutskerke', op basis van het bovengenoemde "recht tot het voeren van den titel van ambachtsheer van Sinoutskerke".

Jachtrecht (afgekocht in 1923)

Een van de rechten, die traditioneel horen bij de heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp, is het recht van de jacht. Dit "heerlijk jachtrecht" is het recht met uitsluiting van anderen te mogen jagen op de grond van iemand anders. Met de jachtwet van 1923 is dit recht afgeschaft. Wel werd bepaald dat de toenmalige eigenaren van het jachtrecht gerechtigd waren tot een schadevergoeding. Hiertoe stelde de regering de Jachtcommissie in, waar eigenaren van het recht zich toe konden richten met een verzoek om schadeloosstelling.

Deze Jachtcommissie onderzocht naar aanleiding van een dergelijk verzoek of er sprake was van een nog bestaand en uitgeoefend heerlijk jachtrecht. Indien dit het geval was, dan werd vervolgens bepaald hoe groot het te vergoeden bedrag was. In het geval van Sinoutskerke en Baarsdorp deden Jhr. mr. dr. A.J. van Citters, W.F.K. Lenshoek en M. Vermue als gezamenlijke eigenaren van de heerlijkheid, en daarmee van het jachtrecht, een beroep op de schadevergoedingsregeling. Deze werd in 1930 toegekend voor een bedrag van 12.270 gulden, omgerekend naar hedendaagse geldwaarde ruim 98.000 euro.

Hieronder staat een uittreksel uit de Rapportage van de Jachtcommissie.

Plantrecht

Het plantrecht, dat in Zeeland voorkomt als ambachtsgevolg, wordt vaak ten onrechte vereenzelvigd met het pootrecht. Prof. dr. F.C.J. Ketelaar definieert pootrecht als het aan een bepaald erf verbonden zakelijke recht, krachtens welk de rechthebbende bomen en ander houtgewas op het aangrenzende erf van een ander (in het bijzonder de berm of bermen van de openbare weg) in eigendom heeft, de vruchten daarvan trekt en bevoegd is het gewas door ander te vervangen. Het pootrecht dient echter onderscheiden te worden van die rechten om beplantingen op eens anders grond te mogen hebben, die niet aan de eigendom van een bepaald perceel zijn gebonden. Met name het in Zeeland als ambachtsgevolg voorkomende plantrecht heeft een geheel andere oorsprong en inhoud dan het pootrecht. Het plantrecht als ambachtsgevolg houdt verband met het recht van grasetting. 154-155

In Zeeland werd de ambachtsheer beschouwd eigenaar van alle grond in de ambachtsheerlijkheid te zijn. Vaak zijn dijken, wegen en dorpspleinen later bij ruilverkaveling in eigendom overgegaan aan de gemeente of het waterschap, onder voorbehoud van etting en beplanting. Dat laatste geschiedde door in de ruilverkavelingsakte de bepaling op te nemen dat de “ambachtsheerlijke rechten weer zijn toebedeeld aan de huidige eigenaren“. De ambachtsheer kan echter ook eigenaar van de dijken en de (zijkanten der) wegen zijn gebleven (Rb. Rotterdam 1917, Hof 's-Gravenhage 1919).

Perceelkaart plantrechten Sinoutskerke en Baarsdorp

Recht van grasetting / schapendrift

Het recht van grasetting is in beginsel een weiderecht. Taalkundig duidt etting het weiden of beweiden of de weide aan (etten is causatief bij eten). Het recht van etting verschilt op twee belangrijke punten van andere weiderechten.

Dit recht op een bepaald erf komt toe aan één gerechtigde en geeft een doorgaand recht van beweiding; het is dus niet beperkt tot bepaalde jaargetijden. Men treft het recht aan in handen van kerkelijke gemeenten (Rb. Rotterdam 1877, 1914; Hof 's-Gravenhage 1915) en als recht gevestigd ten behoeve van particulieren (Hof Amsterdam 1878, HR 1880, Rb. Rotterdam 1902).

Het meest omt het echter voor als ambachtsgevolg van voormalige Zeeuwse ambachtsheerlijkheden en dan samen met het recht van beplanting van dijken, wegen, dorpspleinen enz. Dit komt omdat het de percelen waar het plantrecht en het recht van etting op rusten in een ver verleden eigendom waren van de ambachtsheer.

Perceelkaart grasetting Sinoutskerke en Baarsdorp

Recht van kerkgestoelte

Onder het recht op kerkgestoelte vat Prof. dr. Ketelaar zowel het op de eigendom van de kerk drukkende zakelijke recht tot het hebben van een gestoelte in de kerk, als het zakelijk recht op het gebruik van een vaste zitplaats in de kerk. In zeer vele protestantse kerken in ons land staan zogenaamde herengestoelten, herenbanken of familiebanken.

Vele heren- en familiebanken zijn in de 17e en 18e eeuw, bijvoorbeeld bij herinrichting van de kerk, op kosten van de ambachtshe(e)r(en) vervaardigd en in de kerk geplaatst. Er bestaan ook herenbanken van vroeger datum, zoals die in Holwierde uit 1559. Niet alleen ambachtsheren hadden een eigen gestoelte: ook bepaalde families, die aan de inrichting van de kerk hadden mebetaald, kregen een eigen familiebank.

Door de plaatsing van de bank verkreeg de ambachtsheer een zakelijk recht om het gestoelte in de kerk te hebben en/of daarop te mogen zitten. Aangenomen mag worden dat in de meeste gevallen de bank zelf eigendom bleef van degene, die de bank had laten plaatsen. Vaker ging de bank in eigendom over aan de kerkelijke gemeente, waardoor de schenker een eeuwigdurend zakelijk gebruiksrecht behoudt, althans zolang de bank bestaat. Dit recht kan men omschrijven als het zakelijk recht op een vaste zitplaats (vgl. Rb. Arnhem 1821, Hof Utrecht 1863). 268-269.

Recht van visserij

Het (ambachts)heerlijk visrecht is, naar Ketelaar, het zakelijk recht om met uitlsuiting van anderen te vissen in een aan een ander in eigendom toebehorend water. In het geval van Sinoutskerke en Baarsdorp kunt u daarbij denken aan poelen, stroompjes, slootjes, maar ook aan het grote water tussen Goes en de A58, alsmede de wateren in het Poelbos bij 's-Heer Hendrikskinderen.

Heerlijke visrechten zijn afgeleid van het visserijregaal, wat weer voort komt uit het wildernisregaal. Een regaal (meervoud regalia) zijn keizerlijke rechten. In de middeleeuwen gaf een keizer een deel van zijn grond en rechten aan leenmannen, zoals een hertog of een graaf. Deze leenmannen konden dit dan weer doorlenen aan achterleenmannen, bijvoorbeeld een ridder of baron. En zo werd het wildernisregaal van de Keizer een visrecht voor de ambachtsheer.

Heerlijke visrechten zijn dus, als afgeleid regaal, door de landsheer uitgegeven, dikwijls tegelijk met de heerlijkheid, als heerlijkheidsgevol. Er waren ook ambachtsheren die het visrecht hadden niet als heerlijk recht, maar als gevolg van watereigendom. Dit kwam vooral voor in die heerlijkheden, waar de ambachtsheer tevens grondheer, dus eigenaar van alle grond was. Soms is zul een visrecht later beschouwd als heerlijkheidsgevolg.

Vele heerlijke visrechten zijn door verkoop enz. gecrocheerd, d.w.z. in handen gekomen van rechthebbenden die geen eigenaar zijn van de heerlijkheid. Dit is het geval in Sinoutskerke en Baarsdorp: de eigenaar van het visrecht is geen eigenaar van de heerlijkheden.

Heerlijk visrecht werd in beginsel verleend samen het de heerlijkheid. De heer had geen visrechten buiten het heerlijkheidsgebied. De rechtspraak heeft steeds aangenomen dat heerlijken rechten zich, behoudens tegenbewijs, uitstrekken over het gehele gebied van de vroegere heerlijkheid. Voor de Zeeuwse heerlijkheden en voor de meeste andere als heerlijkheid uitgegeven bedijkingen is dit zeker waar. Hieruit volgt dat het heerlijk visrecht van Sinoutskerke en Baarsdorp op zowel publieke als niet-publieke wateren betrekking heeft.

Literatuur over heerlijkheden en heerlijke rechten

  • A. Delahaye, Vossemeer, land van 1000 heren, NV Ambachtsheerlijkheid Oud en Nieuw Vossemeer 1969
  • A.S. de Blecourt, Kort begrip van het Oud-Vaderlandsch Burgerlijk Recht I, Groningen-Batavia, 1939
  • C.E.G. ten Houte de Lange en V.A.M. van der Burg, Heerlijkheden in Nederland, Hilversum, Verloren, 2008
  • F.C.J. Ketelaar, Oude zakelijke rechten, vroeger, nu en in de toekomst (Les survivances du ‘système féodal’ dans le droit néerlandais au XIXe et au XXe siècle), Leiden/Zwolle, 1978
  • F.W. Lansink en J. Temminck (red.), Heerlijkheden in Holland, Publicaties van de Stichting Vrienden van het Noord-Hollands Archief, III, Hilversum, Verloren, 2017
  • J.Ph. de Monté ver Loren, Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?, De Nederlandsche Leeuw, kol. 394-400, 1961
  • M. Prins, Handel in heerlijkheden. Aankoop van Hollandse heerlijkheden en motieven van kopers, 1600-1795,Virtus, Jaarboek voor Adelsgeschiedenis (24), 2017
  • N.N., Handboek voor eigenaars van heerlijkheden, Zaltbommel, Joh. Noman en Zoon, 1841.

Meer informatie nodig? Mail ons!

Uw naam *

E-mailadres*

Onderwerp

Uw vraag

U doneert aan : Heerlijkheden Sinoutskerke en Baarsdorp

Hoe veel wilt u doneren?
€10 €20 €30
Wilt u vaste donateur worden? Ik wil doneren
Hoe vaak wilt u de donatie laten plaats vinden? (inclusief deze donatie) *
Naam *
Achternaam *
E-mail *
Telefoonnummer
Adres
Eventuele opmerkingen
paypalstripe
Laden...